ECLI:NL:RBDHA:2015:16038
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen late DNA-afname na veroordeling ongegrond verklaard
De veroordeelde werd op 3 april 2012 veroordeeld voor het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Op 15 juli 2015 gaf de officier van justitie een bevel tot afname van DNA-materiaal, dat op 15 september 2015 werd uitgevoerd. De veroordeelde maakte bezwaar tegen de late afname, stellende dat het bevel niet 'zo spoedig mogelijk' na veroordeling was gegeven, zoals de Memorie van Toelichting bij de Wet DNA voorschrijft.
De rechtbank oordeelt dat de Wet DNA geen concrete termijn voorschrijft voor DNA-afname en dat de beoogde voortvarendheid primair het belang van opsporing en voorkoming van misdrijven dient. Het belang van de veroordeelde bij spoedige afname en opname in de DNA-databank wordt niet in de wetsgeschiedenis genoemd. Bovendien leidt het tijdsverloop ertoe dat het DNA-profiel korter in de databank wordt opgenomen, wat geen nadeel oplevert.
De rechtbank concludeert dat het termijnverloop van ruim drie jaar niet leidt tot schending van rechten, noch tot een gegrond bezwaar. Ook is er geen sprake van uitzonderingsgronden die afname zouden verhinderen. Het bezwaarschrift wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de late DNA-afname wordt ongegrond verklaard.