ECLI:NL:RBDHA:2021:6674

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2021
Publicatiedatum
30 juni 2021
Zaaknummer
C/09/612546 / FA RK 21-3542
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening (EG) Nr. 2201/2003Art. 9 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsmacht Nederlandse rechter bij gemeenschappelijk verzoek echtscheiding

Partijen, gehuwd in 2018, hebben gezamenlijk verzocht om echtscheiding wegens duurzaam ontwricht huwelijk. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit, de man de Dominicaanse nationaliteit. De rechtbank beoordeelt of zij rechtsmacht heeft om het verzoek te behandelen.

Op grond van Verordening (EG) Nr. 2201/2003 (Brussel-II-bis) wordt geconcludeerd dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, aangezien het feit dat partijen bij huwelijk in Nederland woonden niet voldoende is. De aangehaalde jurisprudentie betreft niet internationale rechtsmacht bij echtscheiding en is daarom niet van toepassing.

Vervolgens onderzoekt de rechtbank of artikel 9 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht kan verlenen. Partijen stellen dat een procedure buiten Nederland onmogelijk is vanwege hun diplomatieke status en het ontbreken van registratie van het huwelijk in Jordanië en Bangladesh. De rechtbank acht deze toelichting onvoldoende en wijst erop dat in beide landen een echtscheidingsprocedure mogelijk is.

De rechtbank gelast partijen om nadere inlichtingen en stukken te overleggen waaruit blijkt dat het onmogelijk is om in Jordanië of Bangladesh het huwelijk te ontbinden. De beslissing wordt aangehouden tot de pro forma zitting op 1 september 2021.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en gelast partijen nadere stukken te overleggen over de onmogelijkheid van een procedure in Jordanië en Bangladesh.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Familie
zaaknummer / rekestnummer: C/09/612546 / FA RK 21-3542
Beschikking d.d. 30 juni 2021 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[X] ,
wonende te Jordanië,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.P. van Stralen, gevestigd te Utrecht,
en
[Y] ,
wonende te Bangladesh,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.P. van Stralen, gevestigd te Utrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van partijen, ingekomen op 21 mei 2021.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum huwelijk] 2018 te [plaats huwelijk] . De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Dominicaanse nationaliteit.
2.2.
Scheiding Rechtsmacht
2.2.1.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.2.2.
De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft moet worden beantwoord aan de hand van artikel 3 e.v. van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 (Brussel-II-bis).
Op grond van deze artikelen heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht. De enkele omstandigheid dat partijen ten tijde van het sluiten van het huwelijk woonachtig waren in Nederland is geen grond waarop de Nederlandse rechter bevoegdheid kan aannemen. De door partijen aangehaalde jurisprudentie (ECLI:NL:RBDHA:2015:4701 en ECLI:NL:PHR:2020:1137) gaan niet over internationale rechtsmacht met betrekking tot het echtscheidingsverzoek.
2.2.3.
De vraag is vervolgens of de Nederlandse rechter op grond van artikel 9 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toekomt. Partijen stellen op dit punt dat het voeren van een procedure buiten Nederland onmogelijk is omdat beiden vanwege hun diplomatieke status niet in enige burgerlijke stand zijn opgenomen en het huwelijk in die landen niet is geregistreerd. De rechtbank acht deze toelichting onvoldoende om te kunnen vaststellen dat het voeren van een echtscheidingsprocedure in Jordanië of in Bangladesh onmogelijk is.
In beide landen bestaat immers een mogelijkheid om (in Jordanië ook op gemeenschappelijk verzoek) een echtscheidingsprocedure te starten indien één van de echtgenoten in dat land(en) woonachtig is.
De rechtbank zal partijen toelaten nadere inlichtingen en stukken in het geding te brengen waaruit volgt dat het voor hen onmogelijk is om in een gerechtelijke procedure in Jordanië en Bangladesh het huwelijk door echtscheiding te laten ontbinden.
De rechtbank zal de verzoeken voor overlegging stukken aanhouden tot de pro formadatum van1 september 2021.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
gelast partijen de hiervoor onder 2.2.3. vermelde inlichtingen en stukken in het geding te brengen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.M.C. Guit-van den Berg op 30 juni 2021.
.