ECLI:NL:RBDHA:2021:6674
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsmacht Nederlandse rechter bij gemeenschappelijk verzoek echtscheiding
Partijen, gehuwd in 2018, hebben gezamenlijk verzocht om echtscheiding wegens duurzaam ontwricht huwelijk. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit, de man de Dominicaanse nationaliteit. De rechtbank beoordeelt of zij rechtsmacht heeft om het verzoek te behandelen.
Op grond van Verordening (EG) Nr. 2201/2003 (Brussel-II-bis) wordt geconcludeerd dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, aangezien het feit dat partijen bij huwelijk in Nederland woonden niet voldoende is. De aangehaalde jurisprudentie betreft niet internationale rechtsmacht bij echtscheiding en is daarom niet van toepassing.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of artikel 9 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht kan verlenen. Partijen stellen dat een procedure buiten Nederland onmogelijk is vanwege hun diplomatieke status en het ontbreken van registratie van het huwelijk in Jordanië en Bangladesh. De rechtbank acht deze toelichting onvoldoende en wijst erop dat in beide landen een echtscheidingsprocedure mogelijk is.
De rechtbank gelast partijen om nadere inlichtingen en stukken te overleggen waaruit blijkt dat het onmogelijk is om in Jordanië of Bangladesh het huwelijk te ontbinden. De beslissing wordt aangehouden tot de pro forma zitting op 1 september 2021.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en gelast partijen nadere stukken te overleggen over de onmogelijkheid van een procedure in Jordanië en Bangladesh.