ECLI:NL:RBDHA:2015:6413
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen subjectief dringende reden voor ontslag en recht op WW-uitkering bevestigd
De werknemer trad in 1998 in dienst bij eiseres als docent en werd op 1 mei 2014 ontslagen wegens onvoldoende functioneren en een verstoorde arbeidsverhouding. Eiseres stelde dat het ontslag gebaseerd was op dringende redenen zoals bedoeld in artikel 7:678 BW Pro en dat de werknemer daardoor verwijtbaar werkloos werd. De werknemer kreeg een WW-uitkering toegekend, waartegen eiseres bezwaar maakte.
De rechtbank beoordeelde of het ontslag een dringende reden opleverde die verwijtbare werkloosheid tot gevolg had. Hierbij werd gekeken naar de ernst van het functioneren van de werknemer, de reactie van de werkgever en het tijdsverloop tussen de signalering van disfunctioneren en het ontslag. Hoewel het functioneren onvoldoende was, oordeelde de rechtbank dat eiseres niet onverwijld heeft gehandeld en pas na ruim zes maanden de werknemer vrijstelde van werkzaamheden.
Hierdoor ontbrak de subjectieve dringendheid voor ontslag, wat betekent dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV om de WW-uitkering toe te kennen, werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat geen subjectief dringende reden voor ontslag bestaat en de werknemer recht heeft op een WW-uitkering.