Appellant was sinds 1998 werkzaam als loodsmedewerker bij zijn werkgever en meldde zich in mei 2012 ziek vanwege klachten aan zijn rechterenkel, -voet en -knie. De werkgever accepteerde deze ziekmelding niet, waarna een bedrijfsarts en een verzekeringsarts van het Uwv oordeelden dat appellant geschikt was om zijn werkzaamheden te hervatten. Appellant hervatte het werk kortstondig, maar stopte na tweeënhalf uur vanwege toegenomen klachten en verscheen daarna niet meer op het werk. De werkgever betaalde vanaf 30 mei 2012 geen loon meer.
De werkgever verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens dringende redenen, maar de kantonrechter oordeelde dat het verzuim geen dringende reden opleverde. Wel was sprake van een verandering in omstandigheden die ontbinding rechtvaardigde, waarbij de verwijtbaarheid grotendeels bij appellant lag. Het Uwv weigerde daarop de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden wegens een dringende reden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, waarbij het Uwv mocht oordelen dat sprake was van een dringende reden. In hoger beroep stelde appellant dat het oordeel van de kantonrechter, die geen dringende reden zag, leidend moest zijn en dat het Uwv onvoldoende aanleiding had om daarvan af te wijken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het oordeel van de kantonrechter bijzondere betekenis heeft en dat de medische bevindingen onvoldoende zijn om een dringende reden aan te nemen. Omdat geen objectieve dringende reden bestond, is appellant niet verwijtbaar werkloos geworden en is het besluit van het Uwv tot blijvende weigering van de WW-uitkering onrechtmatig. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.