Eisers, bestaande uit ouders en familieleden van minderjarige vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf, vorderden in kort geding dat het COA wordt verboden de gezinslocatie Almelo om te vormen tot een regulier asielzoekerscentrum en hen over te plaatsen naar andere gezinslocaties. Eisers stelden dat deze maatregelen onrechtmatig zijn en inbreuk maken op rechten van henzelf en hun minderjarige kinderen, onder meer op grond van het IVRK en het EVRM.
De rechtbank oordeelde dat de beslissing tot beëindiging van de opvang en overplaatsing een feitelijke handeling is die aan de staatssecretaris is toe te rekenen en waartegen administratiefrechtelijk bezwaar en beroep openstaan. De civiele rechter is daarom niet bevoegd om hierover te oordelen, waardoor eisers niet-ontvankelijk zijn in deze vorderingen.
Ten aanzien van de omvorming van de gezinslocatie tot regulier azc is de civiele rechter wel bevoegd, maar eisers hadden de staatssecretaris in rechte moeten betrekken in plaats van het COA. De rechtbank verklaarde daarom ook deze vordering niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter benadrukte dat het COA namens de staatssecretaris toezeggingen heeft gedaan over een zorgvuldige afwikkeling van de overplaatsingen, met aandacht voor onderwijs, medische zorg en individuele omstandigheden. De rechtbank veroordeelde eisers in de proceskosten en sprak het vonnis uit op 19 augustus 2015.