Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2016 in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] en van Afghaanse nationaliteit, eiser,
Procesverloop
Overwegingen
- de gestelde identiteit, 16 jarige leeftijd en Afghaanse nationaliteit van eiser;
- de stelling van eiser dat zijn vader en broer zijn vermoord door de Taliban;
- de stelling van eiser dat hij zich in plaats van zijn broer zal moeten aansluiten bij de Taliban;
- de stelling van eiser dat hij problemen heeft gehad met zijn oom en neef die hem wilden dwingen te trouwen met zijn nicht; en
- de stelling van eiser seksueel te zullen worden misbruikt door een hem onbekende man.
primairaan dat verweerder ten onrechte van mening is dat de door hem afgelegde verklaringen over dat zijn vader en broer zijn vermoord door de Taliban ongeloofwaardig zijn. Zo concludeert eiser dat hij met plausibele verklaringen en documenten zijn asielrelaas aannemelijk heeft gemaakt en dat zijn verklaringen passen in het algemeen beeld over Afghanistan.
Subsidiairheeft eiser aangevoerd dat ook de algemene situatie in Afghanistan, meer specifiek de situatie in de provincie [plaats 3] , dermate gewelddadig is dat hem op die grond internationale bescherming moet worden geboden.
Moord op de vader en broer van eiser door de Taliban
Full proofkan en mag niet worden vereist, maar voor het krijgen van het voordeel van de twijfel dient de vreemdeling wel een aanvaardbare verklaring te geven voor eventuele discrepanties. Ook acht het EHRM van belang dat de vreemdeling alles heeft gedaan wat van hem kon worden verwacht om zijn asielrelaas te onderbouwen. Overgelegde documenten kunnen dus niet zonder inhoudelijk echtheidsonderzoek terzijde worden geschoven. De mogelijkheden dienen te worden onderzocht om de authenticiteit van documenten (die het asielrelaas staven) te controleren. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) had deze verplichting reeds aangenomen op grond artikel 4, eerste, lid van de Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn) in het arrest M.M. tegen Ierland van 22 november 2012 (ECLI:EU:C:2012:744). Naar het oordeel van de rechtbank impliceert het vorenstaande niet zonder meer dat verweerder is gehouden om kopieën van documenten te laten onderzoeken.
in plaats vanzijn broer zou moeten aansluiten bij de Taliban. Bovendien duidt het verblijf van eiser in het ouderlijk huis gedurende vijf maanden na de gestelde moorden tot aan zijn vertrek uit Afghanistan zonder daarbij enige problemen van de zijde van de Taliban te hebben ondervonden niet op concrete aanknopingspunten die aannemelijk maken dat zij hem intimideren en sommeren dat hij zich bij hen zal moeten aansluiten.
in plaats vanzijn broer met zijn nicht zou moeten trouwen. Nu eiser bovendien geen plausibele verklaringen heeft gegeven voor de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden over zijn verblijf bij zijn zwager in [plaats 4] en de bekendheid hiervan bij zijn oom en neef, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat zijn vrees om slachtoffer te worden van eerwraak ongeloofwaardig is te achten.
ex nuncde veiligheidssituatie in Afghanistan beoordeeld en daarover overwogen dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan er niet op wijst dat uitzetting op zichzelf in strijd zou zijn met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit is eerder bepaald door het EHRM in het arrest H. en B. tegen het Verenigd Koninkrijk en het EHRM ziet geen reden waarom nu wel sprake zou zijn van een schending van artikel 3 EVRM Pro. Bij dit oordeel in de arresten van 12 januari 2016 heeft het EHRM onder meer de UNHCR Eligibility Guidelines van augustus 2013, het 2015 UNHCR country operations profile en het Country of Origin Information Report: Afghanistan - Security Situation van EASO van januari 2015 betrokken.