ECLI:NL:RBDHA:2016:12265
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen militair lid van de meervoudige militaire kamer
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. J.S. van Duurling, militair lid van de meervoudige militaire kamer van de rechtbank Den Haag, vanwege vermeende vooringenomenheid voortvloeiend uit zijn functie binnen het Ministerie van Defensie.
De wrakingskamer heeft het verzoek op 22 augustus 2016 behandeld. Verzoeker stelde dat de hiërarchische positie van mr. van Duurling binnen Defensie aanleiding gaf tot de schijn van partijdigheid. Mr. van Duurling ontkende dit en lichtte toe dat hij niet betrokken was bij het dossier waar het geschil over gaat en geen invloed van zijn hiërarchische superieur ondervond.
De wrakingskamer oordeelde dat de wet uitgaat van de onpartijdigheid van rechters, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Verzoeker heeft echter geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die de schijn van vooringenomenheid onderbouwen. De enkele hiërarchische verhouding met de Minister van Defensie is onvoldoende om onpartijdigheid te betwijfelen.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek. De beslissing werd op 23 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen het militaire lid van de meervoudige militaire kamer wordt afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid.