ECLI:NL:RBDHA:2016:13822
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiseres, een Syrische asielzoekster die via Duitsland naar Nederland kwam, diende op 16 februari 2016 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland verzocht Duitsland om terugname van eiseres op basis van de Dublinverordening, welke werd geaccepteerd ondanks dat eiseres formeel geen asielaanvraag in Duitsland had ingediend, maar wel geregistreerd stond als asielzoeker via een BÜMA-registratie.
De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en daarom de aanvraag niet in behandeling heeft genomen. De argumenten van eiseres dat een BÜMA-registratie niet gelijkstaat aan een formele asielaanvraag en dat zij niet de intentie had in Duitsland asiel aan te vragen, worden verworpen.
Verder zijn de bezwaren van eiseres dat Nederland onzorgvuldig heeft gehandeld door informatie over haar kinderen in Nederland niet te delen, en dat de artikelen 9, 16 en 17 van de Dublinverordening van toepassing zouden zijn, ongegrond. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gezinslid is zoals bedoeld in de Dublinverordening en dat er geen afhankelijkheidsrelatie bestaat met haar in Nederland verblijvende kinderen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.