ECLI:NL:RBDHA:2016:13828
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-overdracht naar Bulgarije
Eiser, een Iraakse asielzoeker, diende op 12 augustus 2016 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling, op grond van de Dublinverordening en Eurodac-gegevens die aantoonden dat eiser eerder in Bulgarije een asielaanvraag had ingediend.
Eiser voerde aan dat hij geen asielaanvraag in Bulgarije had gedaan en dat het claimakkoord op een onjuiste grondslag was gebaseerd, onder meer omdat hij gedwongen was vingerafdrukken af te staan en de Bulgaarse autoriteiten het terugnameverzoek hadden geaccepteerd onder artikel 20, lid 5, van de Dublinverordening. Tevens stelde hij dat overdracht naar Bulgarije zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro wegens detentieomstandigheden en tekortkomingen in de asielprocedure en opvang.
De rechtbank oordeelde dat het Eurodac-resultaat doorslaggevend was en dat het enkele feit dat eiser de asielaanvraag ontkende onvoldoende was om het besluit te wijzigen. De rechtbank vond dat verweerder terecht geen nadere informatie bij Bulgarije had opgevraagd, omdat Bulgarije met de acceptatie van het terugnameverzoek de verantwoordelijkheid had bevestigd.
Verder verwierp de rechtbank de stellingen over detentie en schending van artikel 3 EVRM Pro, mede omdat eerdere jurisprudentie die dit ondersteunde was vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook was onvoldoende onderbouwd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.