Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 november 2016 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Stichting Vestia Groep ,te [vestigingsplaats 1]
Rechtbank Den Haag
Eiser was sinds 2007 in dienst bij Stichting Vestia Groep en werd na diverse problemen op het werk en een onderzoek naar zijn gedragingen ontslagen op grond van dringende redenen. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst ontbonden vanwege onder meer oneigenlijk gebruik van zorgverlof en het starten van nevenwerkzaamheden zonder toestemming.
Het UWV kende eiser aanvankelijk een ZW-uitkering toe, die later werd beëindigd wegens medisch herstel. Vervolgens werd een WW-uitkering toegekend, maar deze werd per 3 augustus 2015 beëindigd omdat het ontslag op grond van dringende redenen was gegeven, waardoor eiser verwijtbaar werkloos werd geacht.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het besluit over de ZW-uitkering niet-ontvankelijk was omdat eiser geen procesbelang had; de ZW-uitkering was immers al volledig doorbetaald. Het beroep tegen het besluit over de WW-uitkering werd ongegrond verklaard. De rechtbank stelde vast dat het UWV terecht het ontslag op grond van dringende redenen als basis nam voor de weigering van de WW-uitkering. Eiser had werkafspraken niet nagekomen, nevenwerkzaamheden verricht zonder toestemming en zijn re-integratieverplichtingen geschonden.
De rechtbank concludeerde dat het gedrag van eiser ernstig genoeg was om het ontslag te rechtvaardigen en dat hem dit verwijtbaar was. Er waren geen persoonlijke omstandigheden die de dringendheid van het ontslag ontkrachtten. Het beroep werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het ZW-besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het WW-besluit is ongegrond verklaard.