Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- een veroordeling (in Spanje) tot een gevangenisstraf van 3 jaar en 10 maanden, een boete van € 170.000,- en verbeurdverklaring van zijn auto op 19 mei 2008 wegens drugssmokkel, gepleegd op 11 april 2008;
- een veroordeling tot een gevangenisstraf van 2 weken en een maatregel van schadevergoeding van € 164,95 op 15 februari 2006 wegens diefstal, gepleegd op 10 en 27 januari 2006;
- een veroordeling tot een gevangenisstraf van 1 week op 26 november 2004 wegens diefstal, gepleegd op 21 oktober 2004;
- een veroordeling tot een geldboete van € 650,- en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden met een proeftijd van twee jaar, op 21 november 2002 wegens rijden onder invloed, gepleegd op 25 september 2002.
Uit het arrest van het HvJEU van 11 juni 2015 blijkt niet dat het daarbij ging over de vraag of een onderscheid moet worden gemaakt tussen EU-onderdanen en derdelanders omdat de prejudiciële vragen die in het arrest beantwoord zijn betrekking hadden op de vraag in welke situatie een (illegaal verblijvende) derdelander een ‘gevaar voor de openbare orde’ kan opleveren. Het door verweerder gestelde onderscheid blijkt voorts ook niet direct of indirect uit de conclusies van het HvJEU. De rechtbank verwijst hierbij in het bijzonder naar de volgende rechtsoverwegingen van het genoemde arrest:
“50. Bijgevolg dient een lidstaat het begrip „gevaar voor de openbare orde” in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de persoonlijke gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen.[…]60. In die omstandigheden veronderstelt het begrip „gevaar voor de openbare orde” als bedoeld in artikel 7, lid 4, van die richtlijn, hoe dan ook dat er, naast de verstoring van de maatschappelijke orde die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (zie naar analogie arrest Gaydarov, C‑430/10, EU:C:2011:749, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”Uit het arrest volgt dat de actualiteit van het gevaar voor de openbare orde van groot belang is. Vóórdat een vertrektermijn wordt verkort (of een inreisverbod wordt uitgevaardigd) moet worden beoordeeld of de gedragingen van de vreemdeling een actueel en daadwerkelijk gevaar vormen voor de openbare orde. Uit het voorgaande volgt dat verweerder een zodanige beoordeling van het actueel en daadwerkelijk gevaar niet heeft verricht. Gelet hierop is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit volgt dat een besluit moet berusten op een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering.