ECLI:NL:RBDHA:2016:14395
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning bij partner wegens onvoldoende middelen
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier verblijf bij partner, verzocht om wijziging van zijn verblijfsdoel naar verblijf bij een nieuwe partner. De staatssecretaris trok zijn vergunning met terugwerkende kracht in en wees de aanvraag af vanwege onvoldoende duurzame en zelfstandige middelen van de nieuwe partner, ondanks dat zij een arbeidsovereenkomst had en feitelijk meer uren werkte dan contractueel vastgelegd.
Eiser voerde aan dat verweerder ten onrechte geen concrete beoordeling had gemaakt van de individuele situatie en dat het inkomen van eiser zelf bij de beoordeling betrokken had moeten worden. Tevens stelde eiser dat de weigering in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en Europese jurisprudentie over gezinshereniging.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de onregelmatige extra inkomsten niet als duurzaam kon aanmerken en dat het inkomen van de partner niet voldeed aan de minimumnorm. Echter, het standpunt dat de aanvraag als eerste toelating moest worden aangemerkt en dat het inkomen van eiser buiten beschouwing moest blijven, was onvoldoende gemotiveerd en strijdig met het doel van de richtlijn gezinshereniging.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het middelenvereiste en het niet betrekken van het inkomen van eiser.