Eiser verbleef bijna twaalf maanden onrechtmatig in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) van Penitentiaire Inrichting Vught. Hij vorderde schadevergoeding van de Staat wegens immateriële schade, waaronder oogschade (bijziendheid) en aantasting van zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank erkent het onrechtmatige karakter van het verblijf, maar stelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een oorzakelijk verband tussen het verblijf en zijn bijziendheid. Tevens is niet vastgesteld dat het EBI-regime een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer vormde die afweek van het regime dat hij later onder het GVM-regime in Leeuwarden onderging.
De rechtbank overweegt dat de beperkingen en veiligheidsmaatregelen inherent zijn aan detentie en dat eiser onvoldoende concreet heeft gesteld hoe het EBI-regime hem zodanig benadeelde dat een immateriële schadevergoeding gerechtvaardigd is. De vordering wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.