Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2016 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser diende op 15 oktober 2016 een asielaanvraag in die op 26 oktober 2016 werd afgewezen als kennelijk ongegrond, met onmiddellijke vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar. De rechtbank vernietigde dit besluit op 22 november 2016 voor zover de aanvraag kennelijk ongegrond werd afgewezen, maar liet de overige rechtsgevolgen in stand. Hierdoor gold achteraf een vertrektermijn van vier weken voor eiser.
Eiser werd op 31 oktober 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat dit onrechtmatig was omdat hij rechtmatig verblijf had op die datum. De rechtbank oordeelde dat eiser geen rechtmatig verblijf had, maar dat de vertrektermijn nog niet was verstreken.
De rechtbank overwoog dat een termijn voor vrijwillig vertrek niet vereist is voor het opleggen van vreemdelingenbewaring als er voldoende gronden zijn, zoals risico op onderduiken. Verweerder had deze gronden gemotiveerd en eiser had deze niet betwist. Verweerder had bovendien na vernietiging van het asielbesluit een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin een vertrektermijn werd onthouden, wat als aanvullende motivering geldt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het vonnis werd uitgesproken door rechter Mosheuvel op 5 december 2016.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.