ECLI:NL:RBDHA:2016:16694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2016
Publicatiedatum
24 januari 2017
Zaaknummer
AWB 16/18265
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 72 Vw 2000Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen feitelijke handeling bij uitblijven reactie op verzoek om opvang vreemdeling

Eiseres, een vrouw van Somalische nationaliteit zonder rechtmatig verblijf in Nederland, verzocht op 20 mei 2016 om opvang bij verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Verweerder reageerde niet op dit verzoek en verklaarde het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk omdat geen beslissing was genomen. Eiseres stelde dat het niet reageren een feitelijke handeling is waartegen bezwaar mogelijk is.

De rechtbank overwoog dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een feitelijke handeling een rechtens relevante handeling is. Het niet reageren op een verzoek kan niet gelijk worden gesteld met een feitelijke handeling omdat geen kenbare handeling is verricht. Ook is in de Algemene wet bestuursrecht of Vreemdelingenwet 2000 niets geregeld over het uitblijven van een feitelijke handeling.

Verder werd het beroep op betalingsonmacht toegewezen, waardoor eiseres geen griffierecht hoefde te betalen. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond omdat het niet reageren geen feitelijke handeling vormt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het niet reageren op een verzoek geen feitelijke handeling is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/18265
V-nummer: [volgnummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 november 2016 in de zaak tussen
[de vrouw],
geboren op [geboortedatum] 1981 (naar eigen zeggen), van Somalische nationaliteit, eiseres
(gemachtigde mr. W.G. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde mr. E.T. 't Jong).

Procesverloop

Verweerder heeft het bezwaar van eiseres bij besluit van – naar de rechtbank begrijpt – 3 augustus 2016 (het bestreden besluit) niet ontvankelijk verklaard.
Op 15 augustus 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2016. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1.
Eiseres is op enig moment Nederland ingereisd. Zij heeft geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland. Bij brief van 20 mei 2016 heeft eiseres verweerder verzocht om opvang. Op 7 juli 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ontvangen.
1.2.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft – samengevat – overwogen dat geen beslissing is genomen na eiseres’ verzoek, zodat geen bezwaar kon worden gemaakt.
2. Eiseres stelt in beroep – samengevat – dat het niet reageren van verweerder op haar verzoek een feitelijke handeling van verweerder is. Tegen die feitelijke handeling staat bezwaar open, aldus eiseres.
3.1.
Eiseres heeft verder een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Eiseres heeft daartoe een verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd.
3.2.
Gelet hierop en wat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden toegewezen. Eiseres hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen.
4. Verweerder biedt voorzieningen aan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Die voorzieningen staan beschreven in het Programma Vreemdelingen. In de uitspraak van 29 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1783) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een oordeel gegeven over dit Programma Vreemdelingen. De Afdeling overweegt onder meer dat de reactie van verweerder aangaande een verzoek om voorzieningen uit het Programma Vreemdelingen een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 is. Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat onder een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 wordt verstaan een jegens de betreffende vreemdeling als zodanig verrichtte, rechtens relevante handeling.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder geen reactie op het verzoek van eiseres heeft gegeven. In geschil is de vraag of het niet geven van een reactie gelijk kan worden gesteld met feitelijk handelen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Omdat verweerder niet heeft gereageerd, is geen handeling verricht waarmee verweerder kenbaar heeft gemaakt hoe hij wil handelen op het verzoek van eiseres. Daar komt bij dat in de Algemene wet bestuursrecht of de Vw 2000 niets is geregeld over situaties die gelijk moeten worden gesteld met een feitelijke handeling, zoals het uitblijven van een feitelijke handeling. De beroepsgrond faalt.
6. Dit neemt niet weg dat er een verzoek van eiseres ligt waar verweerder nog niet inhoudelijk op heeft gereageerd in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000.
7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.E. Krikke, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2016.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Conc.:
D:
VK
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's‑Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.