Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
www.echr.coe.int) - waarnaar ook verweerder verwijst - ten onrechte is losgeweekt uit de context.
Rechtbank Den Haag
Eisers, een moeder en haar minderjarige zoon, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (kinderpardon).
De moeder had meerdere asielaanvragen gedaan die steeds waren afgewezen vanwege niet aannemelijk gemaakte identiteit en nationaliteit. De staatssecretaris wees het bezwaar af op grond van een contra-indicatie in de Vreemdelingencirculaire dat de identiteit of nationaliteit niet kon worden aangetoond.
De rechtbank overweegt dat de contra-indicatie ook geldt voor de moeder als gezinslid van de hoofdpersoon. Eisers voerden aan dat het gedrag van de moeder de zoon niet mag worden tegengeworpen en dat toepassing van artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro een vergunning rechtvaardigt. De rechtbank volgt deze argumenten niet en oordeelt dat de belangen van het kind voldoende zijn meegewogen.
Verder is geoordeeld dat de discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris niet ambtshalve hoeft te worden toegepast en dat het bezwaar terecht ongegrond is verklaard. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die afwijken van het beleid. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning kinderpardon wordt ongegrond verklaard.