ECLI:NL:RBDHA:2016:1995
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf voor gezinshereniging met afgeleide verblijfsvergunning
Eiseres, een minderjarig kind van Eritrese nationaliteit, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan voor gezinshereniging met haar vader, die een afgeleide verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bezit. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees de aanvraag af op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de referent niet beschikt over een verblijfsvergunning als bedoeld in het eerste lid van dat artikel.
Eiseres voerde aan dat de Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rechtstreekse toepassing behoeven, omdat zij als gezinslid van de vluchteling moet worden beschouwd. De rechtbank oordeelde echter dat de richtlijn correct is geïmplementeerd in het nationale vreemdelingenrecht en dat eiseres niet onder het toepassingsbereik van artikel 29, tweede lid, valt.
Verder stelde de rechtbank dat het beroep op het Handvest niet aan de orde is zolang eiseres niet binnen de reikwijdte van artikel 29, tweede lid, valt. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde vanwege de beperkte reikwijdte van de nareisbepalingen. Ten slotte werd het betoog over schending van de hoorplicht verworpen, omdat vooraf redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het besluit anders zou uitvallen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de mvv-aanvraag, zonder aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens niet voldoen aan artikel 29, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000.