Eisers, bestaande uit een vennootschap onder firma en een werknemer, stelden de verbindendheid van de per 1 januari 2014 gewijzigde Wet arbeid vreemdelingen (Wav) aan de orde. Zij vorderden onder meer dat de gewijzigde artikelen buiten werking zouden worden gesteld en dat overgangsrecht zou worden toegepast. De rechtbank oordeelde dat de bezwaren van eisers tegen de gewijzigde Wav via een bestuursrechtelijke procedure hadden moeten worden voorgelegd, aangezien besluiten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en vergunningen onder de bestuursrechtelijke rechtsgang vallen.
De werknemer had bezwaar gemaakt tegen de verlenging van zijn verblijfsvergunning en was in beroep gegaan, maar stelde zijn zaak niet in hoger beroep. De vennootschap had eveneens de mogelijkheid om bezwaren tegen de vergunningplicht in een bestuursrechtelijke procedure aan de orde te stellen. De rechtbank benadrukte dat deze bestuursrechtelijke procedures voldoende waarborgen bieden en dat een civiele rechter geen taak heeft om zich uit te laten over de verbindendheid van de Wav als deze reeds aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd.
De rechtbank wees het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU af en veroordeelde eisers in de proceskosten. Hierdoor werd de vordering van eisers niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke beoordeling van de gestelde onrechtmatigheden of schendingen van grondrechten.