ECLI:NL:RBDHA:2016:4636
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker naar Bulgarije wegens twijfel aan naleving EVRM artikel 3
Verzoeker, een Iraakse asielzoeker, diende op 9 november 2015 een asielaanvraag in Nederland in. Uit onderzoek bleek dat hij eerder in Bulgarije een asielverzoek had ingediend. De Nederlandse staatssecretaris weigerde de aanvraag in behandeling te nemen en wilde verzoeker overdragen aan Bulgarije op grond van de Dublinverordening.
Verzoeker stelde dat overdracht naar Bulgarije zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege tekortkomingen in de Bulgaarse asielprocedure en opvang, zoals gebrek aan rechtsbijstand, slechte opvangomstandigheden en risico op uitzettingsdetentie. Verweerder stelde dat er geen concrete aanwijzingen waren dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat gezien de aangevoerde rapporten en omstandigheden gerede twijfel bestaat over de naleving van artikel 3 EVRM Pro in Bulgarije. Daarom is nader onderzoek door de meervoudige kamer noodzakelijk. Tot die tijd wordt een overdrachtsverbod opgelegd. Tevens veroordeelde de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten.
De uitspraak werd gedaan op 25 april 2016 door voorzieningenrechter M.C. Eggink en griffier M. van Looij. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en overdracht aan Bulgarije verboden totdat op het beroep is beslist.