Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2016 in de zaken tussen
[B.V. X] , gevestigd te [plaats] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming’. Het in deze bepalingen verankerde winstbegrip is gebaseerd op een nominalistisch stelsel. Met andere woorden, er wordt geen betekenis toegekend aan eventuele waardeveranderingen van de desbetreffende munteenheid. Bij de invoering van de Wet IB 2001 heeft de wetgever vastgehouden aan het nominalistische winstbegrip en niet gekozen voor een inflatieneutrale winstberekening (Nader rapport, Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 727 nr. A, punt 26). Dit betekent dat ook voor zover bepaalde voordelen een compensatie vormen voor inflatie, die voordelen tot de belastbare grondslag moeten worden gerekend, nu de wet niet voorziet in een correctie voor inflatie. De wet biedt dus geen ruimte voor de door eiseres voorgestane aftrek. Evenmin is daarvoor steun te vinden in de jurisprudentie (vgl. HR 16 juli 1984, nr. 22.585, ECLI:NL:HR:1984:AW8578, HR 20 juni 2003, nr. 37.974, ECLI:NL:HR:2003:AH1017 en HR 11 november 2005, nr. 40246, ECLI:NL:HR:2005:AU6017). Dit brengt mee dat de ontstaansgrond van de inflatie – eiseres wijst op het beleid van de Europese Centrale Bank – niet van belang is.