ECLI:NL:RBDHA:2016:6622
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inreisverbod ondanks verval ongewenstverklaring wegens niet-naleving terugkeerverplichting
Eiseres was sinds 9 november 2005 ongewenst verklaard en had op 10 juli 2015 een verzoek tot opheffing van deze verklaring ingediend. Verweerder heeft dit verzoek ingewilligd en een inreisverbod van drie jaar opgelegd, ingaande vanaf het moment dat eiseres Nederland daadwerkelijk verlaat.
Eiseres stelde dat haar oude ongewenstverklaring na vijf jaar rechtskracht verloor en dat het inreisverbod daarom niet gehandhaafd kon worden. De rechtbank volgt echter de vaste jurisprudentie dat de duur van een inreisverbod pas begint te lopen nadat de vreemdeling aan zijn terugkeerverplichting heeft voldaan.
De rechtbank verwees naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Filev en Osmani) en de Terugkeerrichtlijn, waarin wordt benadrukt dat het inreisverbod onlosmakelijk verbonden is met een terugkeerbesluit en dat het nuttig effect van het inreisverbod beperkt zou zijn als het zou ingaan zonder daadwerkelijk vertrek.
De rechtbank oordeelde dat de ongewenstverklaring van 2005 tevens een terugkeerbesluit omvat dat niet is ingetrokken en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding om te wachten op de beantwoording van prejudiciële vragen door het HvJEU. De uitspraak werd gedaan door rechter B. Meijer op 14 juni 2016.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.