Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2016 in de zaak tussen
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Verder heeft de ABRvS overwogen dat in het kader van de toetsing van een zwaar inreisverbod ten volle aan de orde kan worden gesteld of een vreemdeling voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning. De staatssecretaris moet bij uitvaardiging van een zwaar inreisverbod met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden een afweging maken tussen het algemeen belang dat wordt gediend met het beschermen van de openbare orde of veiligheid, de nationale veiligheid en de internationale betrekkingen en het individuele belang van een vreemdeling bij verblijfsaanspraken in Nederland, dan wel bescherming tegen uitzetting. Bij de oplegging en de toetsing van een zwaar inreisverbod is in voorkomende gevallen ook de vraag aan de orde of een vreemdeling voldoet aan de vereisten voor verlening van een vluchtelingen- of subsidiaire-beschermingsstatus.
Indien uit de toetsing van die afweging volgt dat de vreemdeling aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning voldoet, is daarmee in beginsel gegeven dat een tegen hem uitgevaardigd inreisverbod niet in stand kan blijven. Nu een verblijfsvergunning niet kan worden verleend zolang een zwaar inreisverbod voortduurt, vindt de rechterlijke toetsing of een vreemdeling aan die vereisten voldoet slechts plaats in het kader van een beroep tegen een zwaar inreisverbod.
Belang bij toetsing in rechte van een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van zodanige vergunning, is bij samenloop daarvan met een besluit tot het uitvaardigen van een zwaar inreisverbod dan ook eerst aan de orde, indien het besluit tot het uitvaardigen van dat inreisverbod wordt ingetrokken, herroepen of vernietigd, dan wel dat inreisverbod wordt opgeheven.
- zes jaar gevangenisstraf voor het storen van de zaken van de nationale veiligheid;
- zes jaar gevangenisstraf voor het beledigen van heiligdommen van de islam en het ontkennen van de grote profeten en de heilige imams;
- twee jaar gevangenisstraf voor het vervalsen van officiële documenten van de regering van de Republiek Iran;
- het ondergaan van 74 zweepslagen voor het wegvluchten voor de functionarissen.
Bureau Documenten heeft de documenten ‘mogelijk echt’ bevonden. De rechtbank heeft in de uitspraak van 29 januari 2015 overwogen dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen nader onderzoek te doen naar de authenticiteit van de dagvaarding en het vonnis. De rechtbank heeft voorts overwogen dat verweerder alsnog nader onderzoek moet (laten) doen naar de authenticiteit van de documenten, door de documenten voor te leggen aan de Nederlandse vertegenwoordiging in Teheran om daar onderzoek naar de documenten te laten verrichten. De rechtbank heeft het besluit van 6 juni 2013 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van de uitspraak.
Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De IND beoordeelt of er sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf als de vreemdeling een verdragsvluchteling is. De IND beoordeelt of er sprake is van een ernstig misdrijf indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt een reëel risico te lopen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.(…)
Openbare orde en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw
Er kan sprake zijn van een ernstig misdrijf indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
Anders dan kennelijk namens eiser is betoogd maakt verweerder hiermee geen ongerechtvaardigd onderscheid met wat aan verdragsvluchtelingen kan worden tegengeworpen, reeds omdat eiser, zoals hiervoor al is overwogen, geen verdragsvluchteling is.
De rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privé leven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toetsing.