ECLI:NL:RBDHA:2017:11261
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bekering tot christendom
Eiser, een Iraanse vreemdeling, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn bekering tot het christendom in Iran. Hij stelde dat hij vanwege zijn geloof vervolging ondervindt, onder meer omdat de politie bij hem Bijbels en ander christelijk materiaal vond.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat hij de bekering niet geloofwaardig achtte. De rechtbank bevestigde dit oordeel na onderzoek ter zitting. De verklaringen van eiser over het bekeringproces, zijn kennis van het christendom en zijn kerkbezoek werden als te vaag en ongeloofwaardig beoordeeld.
De rechtbank verwees naar vaste gedragslijnen en jurisprudentie waarin wordt verwacht dat een asielzoeker die bekering claimt, overtuigend kan uitleggen waarom en hoe deze heeft plaatsgevonden. De overgelegde doopakte was onvoldoende bewijs. Ook de omstandigheden in Iran, waar bekering strafbaar is, versterkten het ongeloof.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bekering wordt ongegrond verklaard.