ECLI:NL:RBDHA:2017:11681
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling premieplicht en belastingheffing binnenvaartschipper in Nederland 2013
Eiser, woonachtig in Nederland, werkte in 2013 op een binnenvaartschip dat tot de Rijnvaart behoort. Hij was in de eerste helft van het jaar in loondienst bij een Cypriotische vennootschap en in de tweede helft bij een Liechtensteinse vennootschap. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) gaf een A1-verklaring af die stelt dat het Nederlandse sociale zekerheidsrecht van toepassing is. Eiser betwistte dit en stelde vrijstelling van premie volksverzekeringen en aftrek van buitenlandse premies te kunnen claimen.
De rechtbank oordeelt dat de SVB-verklaring voor de periode 1 januari tot 31 juli 2013 terecht als uitgangspunt is genomen. Het schip was voor meer dan 40% van de tijd in Nederland actief, wat het vermoeden ondersteunt dat een substantieel deel van het werk in Nederland werd verricht. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij onderworpen was aan buitenlandse belastingheffing of dat er sprake was van een nettoloonafspraak die tot verrekening van loonheffing zou leiden.
Verder oordeelt de rechtbank dat geen recht bestaat op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, omdat Nederland met Cyprus en Liechtenstein geen verdrag heeft en eiser onvoldoende bewijs leverde van buitenlandse belastingheffing. Ook is geen proceskostenvergoeding of smartengeld toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de aanslag IB/PVV 2013 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.