Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
1 februari 2017 tot en met 28 februari 2017.
Overwegingen
5 kinderen. De jongste, [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1999, was ten tijde van het primaire besluit nog minderjarig. Van de overige kinderen hebben er twee zelf recht op uitkering, te weten [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1989 en [kind 3], geboren [geboortedatum] 1992. Een studerende zoon, [kind 4], geboren op [geboortedatum] 1990, is sinds 8 november 2016 uitwonend.
Eiseres ontvangt sinds 1 juli 2015 een bijstandsuitkering met toepassing van de kostendelersnorm. Bij besluit van 13 januari 2016 heeft verweerder aan eiseres bijzondere bijstand toegekend ten bedrage van € 185,37 per maand over de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 in verband met een terugval in het inkomen vanwege de toepassing van de kostendelersnorm. Verder heeft verweerder eiseres over dezelfde periode een compensatie geboden van in totaal € 1.100,70 in verband met de lagere norm die zij en haar dochter [kind 2] ontvangen als gevolg van toepassing van de kostendelersnorm en de aanwezigheid van een niet-rechthebbende partner. Die toeslag is blijkens de stukken beëindigd vanwege inkomsten uit arbeid van één van de gezinsleden, waarmee het gezinsinkomen boven de bijstandsnorm uitkwam.
14 september 2016 aan de Tweede Kamer over het aanbieden van de monitor alleenstaande ouders deze problematiek onderkend en heeft hij gewezen op de mogelijkheid om in individuele gevallen bijzondere bijstand te verstrekken.
5 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11620, overweegt de rechtbank dat het aan verweerder is om te onderzoeken of de verlaging van de uitkering waarmee eiseres wordt geconfronteerd in het individuele geval van eiseres aanvaardbaar is, waarbij met name in ogenschouw dient te worden genomen het tot het huishouden van eiseres behorende minderjarige kind.
€ 1.830,- netto. Dat is aanzienlijk hoger dan de norm voor een gezin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de bijstand hiermee op aanvaardbare manier afgestemd op de individuele situatie van eiseres en haar gezinsleden terwijl tevens recht is gedaan aan het uitgangspunt dat niet indirect bijstand wordt verleend aan de niet-rechthebbende partner.
Beslissing
mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
2 november 2017.