ECLI:NL:CRVB:2017:1958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm bij bijstandsuitkering met overgangsrecht en familierelatie
Appellant ontvangt bijstand en woont samen met zijn meerderjarige broer en schoonzus. Het college heeft zijn bijstandsuitkering verlaagd met toepassing van de kostendelersnorm per 1 juli 2015, rekening houdend met drie kosten delende personen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de appellant stelde hoger beroep in.
De Raad overweegt dat de kostendelersnorm, ingevoerd met de Participatiewet, rekening houdt met schaalvoordelen bij het delen van woonkosten, ongeacht of de kosten feitelijk gedeeld worden. De uitzondering voor personen die niet bloed- of aanverwant zijn, geldt niet voor appellant omdat zijn broer wel een bloedverwant is. Dit onderscheid is gerechtvaardigd vanwege fraudegevoeligheid en schijnconstructies.
Appellant voerde aan dat de verlaging een disproportionele inbreuk op zijn rechten vormt, waaronder artikel 8 EVRM Pro (recht op privé- en familieleven) en artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM (eigendom). De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende bewijs leverde van een buitensporige last en dat de overgangsperiode van zes maanden correct is toegepast, ongeacht het moment van kennisgeving.
Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De verlaging van de bijstand blijft gehandhaafd, waarbij de wetgever met de kostendelersnorm een legitiem algemeen belang dient en de individuele situatie van appellant onvoldoende aanleiding geeft tot afwijking.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met toepassing van de kostendelersnorm wordt bevestigd en het hoger beroep afgewezen.