Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
thans: de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, afkomstig uit Iran, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn bekering tot het christendom. Hij stelde dat hij vanwege zijn geloofsafval bij terugkeer in Iran gevaar loopt. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de bekering niet geloofwaardig werd geacht.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en overwogen dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser op meerdere punten tegenstrijdige en inconsistente verklaringen heeft gegeven over zijn bekering en de motieven daarvan. Ook de overgelegde doopakte kon het oordeel niet wijzigen.
Daarnaast is geoordeeld dat verweerder niet verplicht was een deskundige te raadplegen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat het enkele feit van doop onvoldoende is om eiser als afvallige te beschouwen.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is omdat de bekering niet aannemelijk is gemaakt en de risico’s bij terugkeer niet aannemelijk zijn. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige bekering.