Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2017 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
60
173
Rechtbank Den Haag
Eiser, IT-manager bij X Services BV, verwierf in 2005 certificaten in het X concern via een stichting administratiekantoor, ter financiering van een winstdelende lening aan WF BV. Na verkoop van het concern in 2011 ontving eiser een uitkering op deze certificaten. Verweerder legde een navorderingsaanslag op wegens niet aangegeven resultaat uit lucratief belang.
Eiser voerde aan dat geen nieuw feit was en verweerder een ambtelijk verzuim had begaan door geen onderzoek te doen naar de uitkering, en betwistte kwade trouw. Verweerder stelde dat het nieuwe feit pas in 2014 bekend werd en dat eiser kwade trouw had omdat hij ondanks advies de uitkering niet als lucratief belang aangaf.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een ambtelijk verzuim beging door het niet onderzoeken van het resultaat uit overige werkzaamheden, waardoor navordering op grond van een nieuw feit niet mogelijk is. Echter, de rechtbank acht kwade trouw aannemelijk omdat eiser goed geïnformeerd was over zijn investering en de fiscale gevolgen, maar dit niet correct aangaf. Tevens is vastgesteld dat de uitkering belastbaar is als resultaat uit lucratief belang volgens artikel 3.92b Wet IB 2001.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag bevestigd. Het vertrouwensbeginsel wordt verworpen omdat verweerder geen standpunt innam waarop eiser kon vertrouwen. De heffingsrente is correct berekend. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2011 wordt ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.