Uitspraak
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG
[vestigingsplaats] ,
Rechtbank Den Haag
In deze zaak dienden verzoekers een wrakingsverzoek in tegen de leden van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, die een aanhoudingsverzoek in een ontnemingszaak hadden afgewezen. Verzoekers stelden dat de rechtbank onvoldoende ruimte bood aan de verdediging, getuigenverzoeken had afgewezen en onzorgvuldig had gehandeld bij de beoordeling van het aanhoudingsverzoek, waardoor sprake zou zijn van vooringenomenheid.
De wrakingskamer overwoog dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek een processuele beslissing is die in principe geen grond voor wraking vormt, tenzij deze onbegrijpelijk is en een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid oplevert. Dit was niet het geval, mede omdat verzoekers gedurende ruim tweeënhalf jaar niet hadden gemeld dat zij de digitale administratie niet konden inzien, terwijl de inhoudelijke behandeling in overleg was gepland.
Verder werd het wrakingsverzoek ten aanzien van de voorzitter, gebaseerd op eerdere beslissingen, als te laat ingediend verklaard. De wrakingskamer concludeerde dat verzoekers het wrakingsmiddel misbruikten om uitstel van de inhoudelijke behandeling te verkrijgen en bepaalde dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen.
De beslissing wijst het wrakingsverzoek af, verklaart verzoekers niet-ontvankelijk voor het late deel en beveelt voortzetting van de hoofdzaak in de bestaande stand. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat de rechters onpartijdig hebben gehandeld en dat procedurele verzoeken niet mogen worden ingezet voor vertraging.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters van de meervoudige kamer wordt afgewezen en een volgend wrakingsverzoek zal niet in behandeling worden genomen.