ECLI:NL:RBDHA:2017:16643
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning kinderpardon wegens onvoldoende medewerking vertrek
Opposanten hebben een verblijfsvergunning op grond van de kinderpardonregeling aangevraagd, welke door de staatssecretaris is afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en onvoldoende medewerking aan vertrek. De rechtbank stelde vast dat de beroepsgronden abusievelijk niet in het dossier waren opgenomen, waardoor het eerdere beroep ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard. Het verzet hiertegen werd gegrond verklaard en het vooronderzoek heropend.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat opposanten niet voldeden aan de voorwaarden van de kinderpardonregeling omdat zij niet hebben meegewerkt aan hun vertrek, zoals blijkt uit het advies van de Dienst Terugkeer en Vertrek. De medewerking van de ouders kon ook aan de kinderen worden toegerekend. De rechtbank verwierp het beroep dat uitzetting een schending van artikel 8 EVRM Pro oplevert, omdat de belangenafweging in het nadeel van opposanten uitvalt en er geen objectieve belemmering is voor vestiging in het land van herkomst.
De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris in de proceskosten van opposanten en wees het beroep af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Soffers op 1 maart 2018.
Uitkomst: Het beroep op de afwijzing van de verblijfsvergunning kinderpardon wordt afgewezen wegens onvoldoende medewerking aan vertrek en geen schending van artikel 8 EVRM.