Uitspraak
Rechtbank Den Haag
Verenigde Mexicaanse Staten, in het bijzonder diens
Minister van Buitenlandse Zaken,
Rechtbank Den Haag
De werknemer was sinds 2008 in dienst van de Mexicaanse ambassade in Den Haag en had meerdere arbeidsovereenkomsten, aanvankelijk onder Nederlands recht. De arbeidsovereenkomst werd beëindigd nadat de ambassadeur vertrok, maar de werknemer betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag en vorderde loonbetaling.
De staat Mexico beriep zich op immuniteit van jurisdictie, stellende dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid had. De rechtbank oordeelde dat de immuniteit niet geldt voor privaatrechtelijke arbeidshandelingen waarbij de staat optreedt als werkgever op voet van gelijkheid met particulieren. Dit volgt uit het internationaal gewoonterecht en het VN-verdrag.
De dagvaarding was rechtsgeldig betekend, mede doordat de staat Mexico via een advocaat woonplaatskeuze had gedaan in Nederland. De rechtbank verklaarde de vordering tegen de individuele gedaagde niet-ontvankelijk omdat de ambassade geen rechtspersoonlijkheid heeft.
De arbeidsovereenkomst werd geacht een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te zijn onder Nederlands recht, die niet rechtsgeldig was beëindigd. Daarom werd de staat Mexico veroordeeld tot doorbetaling van loon, vakantiegeld, ziektekostenpremies en wettelijke rente vanaf 1 juli 2017 totdat in hoogste instantie is beslist over de beëindiging.
De staat Mexico werd tevens veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De staat Mexico wordt veroordeeld tot doorbetaling van loon en premies vanaf 1 juli 2017 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.