ECLI:NL:RBDHA:2017:2754
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsrelatie en kwalificatie VAR-verklaring voor machinist
Eiser, werkzaam als machinist, vroeg voor 2015 een VAR aan met de kwalificatie winst uit onderneming (VAR-Wuo). Verweerder gaf aanvankelijk een VAR-Wuo af, maar herzag deze na onderzoek tot een VAR-loon, omdat eiser feitelijk in dienstbetrekking werkte.
De rechtbank beoordeelde of eiser ontvankelijk was in zijn beroep ondanks dat de VAR-periode was verstreken. Omdat eiser stelde schade te hebben geleden door de herziening, werd het beroep ontvankelijk verklaard.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij zelfstandig ondernemer was. Vanwege de vereiste machinistenvergunning en bevoegdheidsbewijs, die alleen onder gezag worden verstrekt, stond eiser feitelijk onder gezag van de opdrachtgevers. Ook de overige criteria voor dienstbetrekking waren aanwezig.
De mondelinge en schriftelijke overeenkomsten met verschillende opdrachtgevers ondersteunden het beeld van een dienstbetrekking, mede omdat vervanging alleen met toestemming van de personeelsleverancier mogelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de herziening van de VAR-Wuo naar VAR-loon. De stelling van eiser dat hij schade had geleden werd niet inhoudelijk behandeld, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herziening van de VAR-Wuo naar VAR-loon.