ECLI:NL:RBDHA:2017:3443
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende onderbouwing verslechterde veiligheidssituatie Afghanistan
Eiser, een Afghaanse man, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie werd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank ontving het beroepschrift en hield meerdere zittingen, waarbij ook diverse landenrapporten over de veiligheidssituatie in Afghanistan werden betrokken.
De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat de staatssecretaris onvoldoende was ingegaan op de door eiser aangevoerde rapporten en gaf hem gelegenheid dit te herstellen. Na herstel en nadere zitting concludeerde de rechtbank dat de staatssecretaris de rapporten deugdelijk had betrokken en gemotiveerd had dat de veiligheidssituatie in Afghanistan, en specifiek in de provincie van eiser, niet zodanig was verslechterd dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die bevestigen dat de mate van willekeurig geweld in Afghanistan niet zodanig hoog is dat een teruggekeerde burger een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook achtte de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat eiser bij terugkeer een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro te vrezen heeft.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.