ECLI:NL:RBDHA:2017:3564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 april 2017
Publicatiedatum
7 april 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 28522
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3.30 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 14 Vreemdelingenwet 2000Aanvullend Protocol bij het Associatieverdrag EEG-Turkije
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken wezenlijk Nederlands belang

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen, mede op basis van een negatief advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), waarin werd geconcludeerd dat de toetreding van eiser geen wezenlijk Nederlands belang dient en negatieve effecten heeft op de markteconomie en werkgelegenheid.

Eiser voerde aan dat het toetsingskader van verweerder in strijd is met de standstill-bepaling van het Aanvullend Protocol bij het Associatieverdrag EEG-Turkije en dat het RVO-advies onzorgvuldig was. De rechtbank oordeelde dat het criterium van wezenlijk Nederlands belang niet zwaarder is dan afgesproken en dat het RVO-advies als deskundigenadvies zorgvuldig en inzichtelijk is, zonder concrete aanwijzingen voor onjuistheid.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser geen wezenlijk Nederlands belang dient en dat de aanvraag terecht is afgewezen. De rechtbank ging niet in op de vraag naar de economische levensvatbaarheid van de onderneming omdat dat niet meer relevant was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Zittingsplaats ’s-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/28522

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer] ,

(gemachtigde: mr. D. Vurdelja),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Garabitian).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 8 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Tevens heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2017.
Eiser is verschenen, bijgestaan mr. A. Orham, kantoorgenoot van zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
1.1
[bedrijf] is in 2013 opgericht door vennoten [persoon 1] en [persoon 2] . Eiser staat sinds 17 september 2014 als medevennoot van [bedrijf] in de Kamer van Koophandel geregistreerd. Eiser beoogt verkrijging van een verblijfsvergunning om als zelfstandige arbeid te kunnen verrichten bij [bedrijf] .
1.2
Op 27 mei 2016 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) onder de verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken naar aanleiding van deze aanvraag (hierna: de minister van EZ) een negatief advies uitgebracht. De conclusie van RVO is dat met de aangeleverde informatie niet aannemelijk is gemaakt dat zijn toetreding in een marktbehoefte voorziet, en dat de markt een nieuwkomer als eiser niet kan opnemen zonder dat dit negatieve effecten heeft op de markteconomie en de werkgelegenheidssituatie. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat toetreding zal leiden tot een levensvatbare onderneming, waarbij alle vennoten een inkomen genereren van tenminste het bruto minimumloon.
2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en vervolgens het bezwaar ongegrond verklaard, omdat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Eiser heeft niet aangetoond dat met zijn aanwezigheid in Nederland een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend waardoor eiser op grond van het Aanvullend Protocol bij het Associatieverdrag EEG-Turkije (de standstill-bepaling) vrijgesteld kon worden van het mvv-vereiste.
3 Eiser voert aan dat het door verweerder gehanteerde toetsingskader in strijd is met de standstill-bepaling. Ook stelt eiser dat het RVO-advies onzorgvuldig is, omdat er gebruik is gemaakt van oude informatie en het RVO recentere stukken had moeten opvragen. In beroep heeft eiser het aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting/volksverzekeringen 2015 overgelegd.
4 Op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van Pro de Vw 2000, onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige, worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van verweerder een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
5 De rechtbank overweegt als volgt.
5.1
Eiser stelt allereerst dat de eisen waaraan hij moet voldoen zwaarder zijn dan destijds zijn afgesproken ten tijde van de Standstill-bepaling. De rechtbank is van oordeel dat het criterium ‘wezenlijk Nederlands belang’ zoals door verweerder wordt gehanteerd niet zwaarder is dan destijds afgesproken in de Standstill-bepaling. Dat volgt uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN9181). Reeds op 1 januari 1973 kwamen vreemdelingen slechts voor toelating voor het verrichten van arbeid als zelfstandige in aanmerking kwamen indien zij met hun aanwezigheid een wezenlijk Nederlands belang dienden en werd een wezenlijk Nederlands belang destijds slechts aanwezig geacht indien een vreemdeling met de door hem beoogde bedrijfsmatige activiteit een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie leverde. Zodanige bijdrage deed zich slechts voor, indien de betreffende activiteit in een behoefte voorzag en geen negatieve invloed had op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie. Van strijd met de Standstill-bepaling, zoals door eiser is betoogd, is daarom geen sprake.
5.2
De rechtbank overweegt verder dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2879)) een advies van de RVO een deskundigenadvies aan verweerder is, ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Verweerder moet, indien hij een advies van de RVO aan een besluit ten grondslag legt, zich op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb ervan vergewissen dat dit naar de wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.
Eén van de conclusies uit het advies van de RVO is dat de toetreding van eiser een negatieve invloed heeft op de markteconomie en werkgelegenheidssituatie. Nu eiser geen contra-expertise heeft overgelegd en ook geen stukken op grond waarvan aan het advies van de RVO kan worden getwijfeld, slagen de beroepsgronden van eiser niet. Verweerder mocht het advies in zoverre dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag leggen en heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser negatieve invloed heeft op de markteconomie en werkgelegenheid in Nederland en daarom met de arbeid die eiser als zelfstandige wil verrichten geen wezenlijk Nederlands belang is gediend. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat de winst van de supermarkt sinds zijn komst is gestegen, dat er werknemers in dienst zijn bij de supermarkt en dat er belasting wordt afgedragen. Die aspecten kunnen echter niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een wezenlijk Nederlands belang.
5.3
Omdat verweerder reeds vanwege de negatieve invloed op de markteconomie en werkgelegenheid in Nederland heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een wezenlijk Nederlands belang, hoeft de vraag of de onderneming economisch levensvatbaar is geen bespreking. De rechtbank gaat daarom niet in op de vraag of de recente overgelegde tijdig zijn ingediend en of die stukken maken dat de onderneming nu wel economisch levensvatbaar is.
5.4
Gelet op het bovenstaande heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de gestelde voorwaarden van de gevraagde verblijfsvergunning en heeft verweerder de aanvraag van eiser kunnen afwijzen.
6 Het beroep is ongegrond.
7 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl).