Eiseres ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank in een tussenuitspraak dat het vastgestelde uurtarief van €12,63 ontoereikend was, gelet op een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die een hoger tarief van €15,00 als redelijk beoordeelde.
Verweerder kreeg de gelegenheid het motiveringsgebrek te herstellen en voerde aan dat de situatie van eiseres afweek van de eerdere jurisprudentie, met name vanwege het toepasselijke functiewaarderingsniveau en de inwerkingtreding van artikel 21a Wmo. Verweerder stelde dat het gehanteerde uurtarief passend was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het gebrek voldoende had hersteld en dat het bestreden besluit daarom niet onredelijk was. Het beroep werd gegrond verklaard wegens het oorspronkelijke motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De uitspraak bevestigt het belang van een deugdelijke motivering bij het vaststellen van tarieven voor pgb's en benadrukt de noodzaak om jurisprudentie en wettelijke wijzigingen zorgvuldig toe te passen.