Eiseres, een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, was gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. Verweerder beëindigde deze uitkering per 11 oktober 2015 en kende een WGA-loonaanvullingsuitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Na bezwaar van de GGZ stelde verweerder het percentage bij op 64,35%.
Eiseres stelde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een IVA-uitkering, mede vanwege psychische aandoeningen en bijkomende fysieke klachten. Zij voerde aan dat de beperkingen zwaarder zijn dan vastgesteld en dat de datum van beoordeling later had moeten zijn. De GGZ ondersteunde deze stellingen met medische rapporten.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit en dat het beroep voor zover het betrekking had op de IVA-uitkering niet-ontvankelijk was. De rechtbank vond dat de medische en arbeidsdeskundige beoordelingen voldoende waren onderbouwd en dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,35% terecht was vastgesteld. De klachten van eiseres werden niet als zodanig onderbouwd dat een hogere mate van arbeidsongeschiktheid kon worden aangenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van eiseres voor het overige ongegrond en het beroep van de GGZ eveneens ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijk medisch deskundige. De uitspraak werd gedaan door rechter Meskers op 20 januari 2017.