ECLI:NL:CRVB:2015:1119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Appellant meldde zich op 20 november 2008 ziek met rug- en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant van 16 november 2010 tot 16 oktober 2012 recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering bij een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Later werd de mate van arbeidsongeschiktheid per 12 maart 2012 vastgesteld op 66,36%, waartegen appellant bezwaar maakte, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Tijdens het hoger beroep meldde appellant een toename van arbeidsongeschiktheid, waarna het UWV bij besluit van 21 mei 2014 vaststelde dat appellant per 1 april 2013 weer voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt was. Hierdoor bleef zijn WGA-loonaanvullingsuitkering ongewijzigd.
De Raad onderzocht of appellant nog procesbelang had. Volgens jurisprudentie geldt geen inkomenseis voor personen die ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% hebben tijdens een loongerelateerde WGA-uitkering, en deze eis geldt pas 24 maanden nadat het verdienvermogen weer boven 20% komt. Omdat appellant binnen deze periode weer volledig arbeidsongeschikt werd verklaard, verviel zijn procesbelang.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.