De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiseres tegen een bestuurlijke boete van €16.000,- opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De boete was verhoogd met 100% vanwege recidive.
De rechtbank oordeelde dat eiseres als werkgever kon worden aangemerkt omdat de vreemdeling feitelijk onder gezag van een tussenpersoon werkte en niet als zelfstandige. De hoorplicht was niet geschonden omdat eiseres niet had gereageerd op het hoorzittingsformulier.
Hoewel de overtreding vaststond, werd de boete gematigd met 50% wegens een verminderde mate van verwijtbaarheid, omdat eiseres het vijfstappenplan voor controle van documenten had gevolgd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en stelde de boete vast op €8.000,-. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.