ECLI:NL:RBDHA:2017:4277

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 april 2017
Publicatiedatum
25 april 2017
Zaaknummer
NL17.1295, NL17.1299, NL17.1300
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 62 VwArt. 66a Vwartikel 3.109ca VbVerordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen Kosovo vanwege veilig land van herkomst en inreisverboden

Eisers, afkomstig uit Kosovo en behorend tot de Ashkaly-minderheid, dienden asielaanvragen in wegens discriminatie en geweld binnen de familie. De staatssecretaris wees deze aanvragen af als kennelijk ongegrond op basis van de kwalificatie van Kosovo als veilig land van herkomst. Eisers voerden aan dat zij persoonlijk niet veilig zijn vanwege etnische discriminatie en dat zij geen bescherming konden vragen bij de autoriteiten.

De rechtbank oordeelt dat deze persoonlijke omstandigheden onvoldoende onderbouwd zijn om af te wijken van de veilige status van Kosovo. Ook het niet zoeken van bescherming bij de autoriteiten weegt mee. Eisers betoogden verder dat het opleggen van inreisverboden en het ontbreken van uitstel van vertrek onterecht is, mede vanwege medische problemen van eiseres en familiebanden in Duitsland.

De rechtbank stelt vast dat eiseres ondanks psychische klachten naar Nederland kon reizen en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het opleggen van inreisverboden onredelijk maken. Het beleid om aanvragen van Dublinclaimanten uit veilige landen inhoudelijk te behandelen wordt bevestigd. De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen van eisers uit Kosovo tegen de afwijzing van hun asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de opgelegde inreisverboden bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL17.1295, NL17.1299 en NL17.1300

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2017 in de zaken tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
[naam], eiseres,
V-nummers: [nummer], en
[naam], eiseres 2,
V-nummer: [nummer],
hierna gezamenlijk ook te noemen: eisers,
gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. K. Bruin.

ProcesverloopEisers hebben beroep ingesteld tegen drie afzonderlijke besluiten van verweerder van

21 maart 2017 (de bestreden besluiten).
Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaken met nummers NL17.1296, NL17.1298 en NL17.1301, plaatsgevonden op 6 april 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig F. Morina, tolk in de Albanese taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum], eiseres op [geboortedatum] en hun dochter, eiseres 2, is geboren op [geboortedatum]. Zij hebben de Kosovaarse nationaliteit. Op 9 maart 2017 hebben eisers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De aanvraag van eiseres is mede ingediend namens hun minderjarige kinderen [naam], geboren op [geboortedatum], [naam], geboren op [geboortedatum] en [naam], geboren op [geboortedatum].
2. Aan de asielaanvragen hebben eisers ten grondslag gelegd dat zij moesten samenwonen met gewelddadige familieleden en dat zij gediscrimineerd werden vanwege het behoren tot de Ashkaly-minderheid, waardoor zij geen kans maakten op de arbeids- en woningmarkt, de kinderen werden gepest op school en geen bescherming kon worden ingeroepen tegen (huiselijk) geweld.
3. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarbij is eisers een vertrektermijn onthouden en zijn inreisverboden voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft de relazen geloofwaardig geacht, maar stelt zich op het standpunt dat de aanvragen moeten worden afgewezen nu Kosovo is aangemerkt als veilig land van herkomst.
4. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Niet in geschil is dat verweerder Kosovo terecht heeft aangemerkt als veilig land van herkomst.
6. Eisers hebben aangevoerd dat Kosovo voor hen persoonlijk niet kan gelden als veilig land van herkomst, omdat zij vanwege hun etnische afkomst werden gediscrimineerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze grond niet slagen. Niet onderbouwd is dat zij dusdanig zijn gediscrimineerd dat zij op grond daarvan als vluchteling moeten worden aangemerkt. Voorts hebben zij - zoals ter zitting desgevraagd is bevestigd - nagelaten zich tot de autoriteiten te wenden voor het vragen van bescherming. Dit had wel van hen mogen worden verwacht, nu niet aannemelijk is gemaakt dat dit voor hen onmogelijk zou zijn. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverweging 2.2 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:642). Deze grond faalt.
7. Eisers hebben verder aangevoerd dat hen ten onrechte onmiddellijk vertrek is aangezegd en dat aan hen ten onrechte inreisverboden zijn opgelegd, nu zij daardoor gedurende twee jaar geen bezoek kunnen brengen aan de (voor studie gedurende drie jaar) in Duitsland verblijvende zoon van eiser en eiseres ([naam], geboren op [geboortedatum]) en de broers van eiser.
Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw kan verweerder de vertrektermijn voor vreemdelingen wiens aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond verkorten. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw wordt in dat geval een inreisverbod uitgevaardigd. Verweerder kan daar op grond van het achtste lid van dit artikel om humanitaire of andere redenen van afzien. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:368), volgt uit de formulering van deze bepaling dat verweerder bij de toepassing hiervan beoordelingsvrijheid toekomt.
De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of verweerder op grond van de door eisers aangevoerde omstandigheden in redelijkheid van het uitvaardigen van de inreisverboden had moeten afzien. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is, nu niet is gebleken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en de in Duitsland verblijvende meerderjarige zoon van eiser en eiseres, dan wel de broers van eiser, over wie eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij niet bij hen wil verblijven. Verder is niet gebleken dat het niet mogelijk zou zijn dat de zoon van eiser en eiseres hen in Kosovo bezoekt. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers onvoldoende bijzondere en zwaarwegende omstandigheden hebben aangevoerd om af te zien van het opleggen van inreisverboden dan wel om de duur ervan te verkorten. Ook deze grond faalt.
8. Voorts hebben eisers aangevoerd dat aan hen ten onrechte geen uitstel van vertrek is verleend nu bij eiseres sprake is van medische problemen. Ter onderbouwing van deze stelling hebben zij onder meer een (vertaalde) verklaring van een Duitse psychiater van
23 februari 2017 overgelegd, waarin is vermeld dat eiseres in Duitsland bij hem onder behandeling is vanwege psychische problemen (onrust, spanning, angsten, gedeprimeerdheid, stemmingswisselingen), welke klachten onder meer met medicatie worden behandeld. De psychiater acht eiseres de komende drie maanden (derhalve tot eind mei 2017) niet in staat is om te reizen met auto of vliegtuig. Eiseres is ondanks voormeld advies van de psychiater in staat gebleken naar Nederland te reizen. Ter zitting is desgevraagd bevestigd dat eiseres sinds het vertrek uit Duitsland niet onder behandeling is en daar in Nederland niet om heeft verzocht. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht geen uitstel van vertrek heeft verleend en in dat kader geen nader onderzoek had moeten doen. Deze grond faalt.
9. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat verweerder er ten onrechte niet voor heeft gekozen om hun aanvragen af te doen op grond van de Dublinverordening. In dat geval hadden geen inreisverboden kunnen worden opgelegd. De rechtbank overweegt dat er geen rechtsregel is op grond waarvan verweerder verplicht is de aanvragen op grond van de Dublinverordening niet in behandeling te nemen in plaats van deze af te wijzen als kennelijk ongegrond omdat eisers afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst. Bovendien is deze werkwijze overeenkomstig het beleid van verweerder, dat is neergelegd in WBV 2016/10 (besluit van verweerder van 23 augustus 2016 tot wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, nummer WBV 2016/10).
Daarin is onder het kopje ‘Discretionaire bepalingen’ opgenomen:
De IND gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval in de volgende situaties:
(…)
er zijn naar het oordeel van de IND proceseconomische redenen, met name wanneer de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst en na afhandeling van het verzoek in de procedure conform artikel 3.109ca, Vb, binnen afzienbare tijd terugkeer naar het land van herkomst gewaarborgd is.
Hieruit blijkt dat aanvragen van Dublinclaimanten uit een veilig land van herkomst inhoudelijk worden behandeld omdat dit efficiënter is. Aldus ook de toelichting:
De oude Vreemdelingencirculaire (B7/8.1.1.3 van de Vc 1994) voorzag expliciet in de mogelijkheid om wegens proceseconomische redenen een aanvraag in de nationale procedure te behandelen. Een vergelijkbare bepaling wordt nu weer opgenomen in de Vreemdelingencirculaire, om ruimte te creëren voor die gevallen waarbij om proceseconomische redenen afdoening in de nationale procedure opportuun is. Hierbij moet met name worden gedacht aan gevallen waarbij terugkeer naar het land van herkomst, na afdoening conform artikel 3.109ca, vb, sneller te realiseren is dan een overdracht op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013. Met deze mogelijkheid wordt tevens de verantwoordelijke lidstaat enigszins ontlast. Deze toevoeging sluit eveneens aan bij het nationale beleid inzake veilig land van herkomst om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te geven t.a.v. aanvragen die evident niet voor inwilliging in aanmerking komen en de aanvragers snel te doen terugkeren naar het land van herkomst.
Niet is aangevoerd dat dit beleid kennelijk onredelijk is. Daarom kan ook deze grond niet slagen.
10. De beroepen zijn ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel