ECLI:NL:RBDHA:2017:5114

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2017
Publicatiedatum
15 mei 2017
Zaaknummer
NL17.1958
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 18 Verordening (EU) 604/2013Art. 17 Verordening (EU) 604/2013Art. 3 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielverzoek op grond van Dublinverordening

Eiser, een Nigeriaanse staatsburger, diende op 7 maart 2017 een asielverzoek in. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie nam dit verzoek niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De Italiaanse autoriteiten stemden in met de overdracht.

Eiser voerde aan dat hij risico loopt op indirect refoulement vanwege de actieve Black-Axe beweging in Italië, die ook zijn familie in Nigeria heeft getroffen. Hij stelde dat de overdracht aan Italië een onevenredige hardheid zou zijn op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het Italiaanse asiel- en opvangsysteem ernstige tekortkomingen vertoont. De aangevoerde krantenartikelen betroffen de Black-Axe beweging maar niet de asielprocedure of opvang in Italië.

Verder concludeerde de rechtbank dat de bijzondere omstandigheden van eiser niet leiden tot een onevenredige hardheid bij overdracht. Er was geen bewijs van risico op onmenselijke of vernederende behandeling in Italië. Eiser kon zich bij problemen tot Italiaanse autoriteiten wenden en had geen aangifte gedaan van bedreigingen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.1958

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. N. Wouters),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Oronsaye. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en bezit de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft op 7 maart 2017 een asielverzoek ingediend. Verweerder heeft het asielverzoek van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag.
2. Verweerder heeft op 27 maart 2017 de Italiaanse autoriteiten verzocht eiser over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben hiermee op 11 april 2017 ingestemd.
3. Eiser betoogt dat in zijn situatie niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat hij risico loopt op (indirect) refoulement. Eiser betoogt ook dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, nu overdracht aan Italië in zijn situatie van een onevenredige hardheid getuigt. Daartoe voert hij aan dat hij te vrezen heeft voor de Black‑Axe beweging, die in Italië zeer actief is. Hij is een aantoonbaar potentieel slachtoffer, nu zijn familie door de Black-Axe beweging in Nigeria is vermoord en hijzelf door hen is mishandeld. Uit de door hem overgelegde krantenartikelen blijkt dat de Italiaanse autoriteiten wel tegen de Black‑Axe beweging in Italië optreden, maar dat dit onvoldoende is, aldus eiser.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat, in afwijking van artikel 3, lid 1, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.
In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft verweerder bepaald dat hij in ieder geval van de in artikel 17 van Pro de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid gebruik maakt in de volgende situaties:
- er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt; of
- bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze bevoegdheid toe te passen, toetst de rechtbank de beslissing van verweerder om deze bevoegdheid wel of niet toe te passen terughoudend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1666).
4.2
De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van uit mag gaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Italië een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM.
4.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Italië sprake is van ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Voor zover eiser heeft gewezen op de door hem overgelegde krantenartikelen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze artikelen gaan over Black-Axe, maar niets te maken hebben met de asielprocedure en de opvang in Italië. De rechtbank verwijst in dit verband verder naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) en van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73), waaruit volgt dat ten aanzien van Italië in het algemeen nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
4.4
In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bijzondere, individuele omstandigheden van eiser niet maken dat de overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat hij een reëel risico zal lopen op onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest. Niet is gebleken dat hij in het verleden in Italië slachtoffer is geworden van een dergelijke behandeling. Gelet op het interstatelijke vertrouwensbeginsel heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat hij, indien hij in Italië onverhoopt toch een risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest, hij zich bij deze problemen in Italië wendt tot de daartoe aangewezen Italiaanse (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties. Van eiser had mogen worden verwacht dat hij in geval van problemen met de Black-Axe beweging aangifte had gedaan, dan wel de politie in kennis had gesteld van het gegeven dat hij een lid van de genoemde beweging had herkend. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat tot op heden niet is gebleken dat de autoriteiten van Italië eiser niet hebben kunnen of willen helpen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.