ECLI:NL:RBDHA:2017:8485
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag jonge Afghaanse asielzoeker wegens ongeloofwaardig asielrelaas
Eiser, een jonge Afghaanse asielzoeker geboren in 1998, vluchtte met zijn ouders uit Afghanistan naar Iran vanwege bedreigingen door de Taliban tegen zijn familie. Na het overlijden van zijn ouders verbleef hij illegaal bij zijn tante in Iran. Hij vreesde vervolging bij terugkeer naar Afghanistan vanwege de rol van zijn vader binnen de Mujahedin en de negatieve aandacht van de Taliban.
Eiser diende op 31 oktober 2015 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, die door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank Haarlem vernietigde deze afwijzing in juni 2016, maar bij hernieuwd besluit werd de aanvraag opnieuw afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, met name over het overlijden van zijn ouders en de bloedwraakvete.
De rechtbank Den Haag oordeelde dat de wisselende en tegenstrijdige verklaringen van eiser over het overlijden van zijn ouders en de omstandigheden rondom de bloedwraak niet geloofwaardig waren. Ook was er onvoldoende aannemelijk dat eiser persoonlijk risico loopt op vervolging of ernstige schade bij terugkeer, mede omdat hij jong was toen de problemen zich voordeden en hij geen sociaal netwerk heeft, maar dit geen schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.
De rechtbank concludeerde dat eiser geen verblijfsvergunning asiel toekomt op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de Afghaanse asielzoeker is ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardigheid van het asielrelaas en afwezigheid van een reëel risico op vervolging.