Eiser, verdacht van betrokkenheid bij drugshandel en deelname aan een criminele organisatie, werd door Turkije in 2012 om uitlevering gevraagd. De Nederlandse uitleveringsrechter verklaarde de uitlevering toelaatbaar en de Minister besloot tot uitlevering. Eiser startte een kort geding om uitlevering te voorkomen, met verwijzing naar risico's op schending van artikelen 3, 6 en 13 EVRM, vooral na de mislukte staatsgreep in Turkije in 2016.
De rechtbank stelde dat hoewel er zorgwekkende ontwikkelingen zijn in Turkije, deze niet concreet betrekking hebben op de strafzaak van eiser, die een communaal delict betreft zonder politieke gevoeligheid. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser tot een risicogroep behoort of dat hij geen eerlijk proces zal krijgen. De detentieomstandigheden en behandeling van psychische klachten in Turkije vormen geen voldoende grond om uitlevering te verbieden.
De rechtbank hechtte vertrouwen aan de garanties van Turkije, waaronder de mogelijkheid voor eiser om zijn straf in Nederland uit te zitten. Alternatieven zoals het horen van eiser in Nederland werden afgewezen. De vorderingen van eiser werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.