ECLI:NL:RBDHA:2017:9524
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting horeca-inrichting wegens aantreffen handelshoeveelheden drugs
De burgemeester van Den Haag heeft een horeca-inrichting tijdelijk gesloten voor drie maanden nadat bij twee bezoekers handelshoeveelheden drugs werden aangetroffen. De exploitant maakte bezwaar tegen deze maatregel, stellende dat hij niet verantwoordelijk was voor het gedrag van bezoekers en dat de maatregel disproportioneel was.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet een discretionaire bevoegdheid is, waarbij het besluit terughoudend wordt getoetst. De aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs bij bezoekers maakt aannemelijk dat de drugs bestemd waren voor verkoop, en het is niet vereist dat daadwerkelijk verkoop heeft plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelt dat de sluiting gerechtvaardigd is vanwege de ernstige verstoring van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Het betoog van de exploitant dat hij niet persoonlijk verwijtbaar is, faalt omdat de wet niet vereist dat de ondernemer zelf verwijtbaar handelt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de sluiting gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de sluiting van de horeca-inrichting wegens handelshoeveelheden drugs wordt ongegrond verklaard en de sluiting van drie maanden gehandhaafd.