ECLI:NL:RBDHA:2017:9579
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens ontbreken redelijk belang bij verbeurde dwangsommen
Verzoekster Marjoc I B.V. heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen verweerder, stellende dat verweerder is opgehouden te betalen. De hoofdvordering betreft verbeurde dwangsommen uit een vonnis van 6 februari 2017. Verweerder betwist de vordering.
De rechtbank overweegt dat een faillissement slechts kan worden uitgesproken indien summierlijk blijkt dat de aanvragende schuldeiser een bestaand vorderingsrecht heeft en dat de schuldenaar is opgehouden te betalen. Artikel 611e lid 2 Rv bepaalt dat verbeurde dwangsommen niet in het faillissement worden toegelaten. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een faillissementsaanvraag niet uitsluitend op een vordering ter zake van verbeurde dwangsommen kan worden gebaseerd.
Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster alleen de verbeurde dwangsommen aan haar aanvraag ten grondslag legt. Hierdoor ontbreekt het redelijk belang bij de faillissementsaanvraag. Het verweer van verweerder behoeft daarom geen bespreking meer.
De rechtbank wijst het verzoek tot faillietverklaring af. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld via een advocaat bij het gerechtshof te Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens ontbreken van redelijk belang bij verbeurde dwangsommen.