De zaak betreft een beroep van een besloten vennootschap tegen een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan een vergunninghoudster heeft verleend voor de bouw van een studentenappartementencomplex met 514 woningen.
De rechtbank oordeelde in een eerdere tussenuitspraak dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar mogelijke alternatieve locaties voor het complex, waardoor het besluit onzorgvuldig en gebrekkig gemotiveerd was. Het college kreeg de gelegenheid dit gebrek te herstellen.
In reactie op de tussenuitspraak stelde het college dat geen motiveringsgebrek bestond en dat onderzoek naar alternatieven niet verplicht was, mede omdat de vergunninghoudster alleen eigenaar was van het betreffende perceel. De rechtbank verwierp deze argumenten, omdat de aangeleverde documenten niet voldeden aan de vereisten van de ladder voor duurzame verstedelijking en geen locatieonderzoek bevatte.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit gegrond en vernietigde dit. Het college werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraken. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.