ECLI:NL:RBDHA:2018:11354
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrese vreemdeling wegens onvoldoende bewijs identiteit en huwelijk
Eiser, een Eritrese vreemdeling, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis asiel. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser geen officiële documenten kon overleggen die zijn identiteit en nationaliteit aantonen. Het enige indicatieve bewijs, een Soedanees UNHCR-pasje, werd niet als substantieel bewijs erkend. Daarnaast werd de overgelegde kerkelijke huwelijksakte door Bureau Documenten als vals beoordeeld.
Eiser voerde aan dat hij bewijsnood had en dat het onredelijk was om van hem te verlangen officiële documenten te overleggen, zeker gezien de situatie in Eritrea. De rechtbank hanteerde het nieuwe beleid van de staatssecretaris, waarbij primair officiële documenten worden geëist en onofficiële documenten slechts aanleiding kunnen zijn voor aanvullend onderzoek indien substantieel bewijs wordt geleverd.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt waarom hij geen identiteitskaart kon overleggen en dat het UNHCR-pasje niet als substantieel bewijs kon dienen. Ook was de kerkelijke huwelijksakte vals bevonden en was geen contra-expertise ingediend. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en een vals bevonden huwelijksakte.