ECLI:NL:RBDHA:2018:11545
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende motivering
Eiser, een Afghaanse jongvolwassene, diende een asielaanvraag in die werd afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van zijn verhaal over benadering door de Taliban en de veiligheidssituatie in Kandahar. De rechtbank oordeelde dat de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen terecht als ongeloofwaardig werden beoordeeld. Daarnaast werd de veiligheidssituatie in Kandahar niet als zodanig gevaarlijk geacht dat een reëel risico op ernstige schade bestond zonder specifieke persoonlijke omstandigheden.
Echter, de rechtbank stelde vast dat de ambtshalve beoordeling van het gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro onvoldoende was gemotiveerd. De staatssecretaris had ten onrechte het jongvolwassenenbeleid niet toegepast op grond van de leeftijd van 25 jaar en onvoldoende rekening gehouden met de gezinssituatie en afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder.
De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro betreft en droeg de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.002,-.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering; nieuw besluit wordt opgedragen.