Art. 128 lid 3 RvArt. 133 lid 4 RvArt. 134 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek pleidooi na niet tijdig concluderen voor antwoord in civiele procedure
In deze civiele bodemzaak heeft de rechtbank Den Haag op 19 september 2018 een verzoek van de gedaagde afgewezen om alsnog pleidooi te mogen voeren nadat hij niet tijdig een conclusie van antwoord had ingediend. De eiseres was Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering. Gedaagde had verzocht om pleidooi op 15 augustus 2018, onder verwijzing naar de omvang van de dagvaarding en persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank overwoog dat het recht om mondeling te pleiten voortvloeit uit artikel 6 EVRMPro en artikel 134 RvPro, maar dat een verzoek tot pleidooi slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden afgewezen. In dit geval was het recht van gedaagde om voor antwoord te concluderen vervallen op grond van artikel 133 lid 4 RvPro, omdat hij niet tijdig had geconcludeerd. Tevens was het recht om verweer te voeren vervallen op grond van artikel 128 lid 3 RvPro.
Het verzoek om pleidooi was feitelijk bedoeld om het vervallen recht te herstellen, hetgeen in strijd is met de procesorde. Daarom wees de rechtbank het verzoek af en verwees de zaak naar de rol van 31 oktober 2018 voor het wijzen van vonnis.
Uitkomst: Het verzoek om pleidooi na niet tijdig concluderen voor antwoord wordt afgewezen wegens verval van het recht op verweer.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/552985 / HA ZA 18-543
Vonnis van 19 september 2018
in de zaak van
de stichting
STICHTING SCHADEREGELINGSKANTOOR VOOR RECHTSBIJSTANDVERZEKERING,
gevestigd te Zoetermeer,
eiseres,
advocaat: mr. F.R.A. Schaaf,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. L.C. Blok.
1.Het verzoek en de beoordeling daarvan
1.1.
Namens gedaagde is op 15 augustus 2018 pleidooi gevraagd. Dit verzoek is onderbouwd door te wijzen op de omvang van de dagvaarding en niet nader geduide persoonlijke omstandigheden van gedaagde, die eraan in de weg zouden hebben gestaan om voor antwoord te concluderen. Het verzoek vermeldt voorts “ belang van cliënt is echter zo groot dat, nu de wederpartij niet om een uitstel accoord gaat, pleidooi gevraagd moet worden.” Eiseres maakte bezwaar tegen toewijzing van dit verzoek.
1.2.
Voordat de rechter over de zaak beslist, wordt aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor pleidooien (art. 134 RvPro). Het recht om het standpunt mondeling te bepleiten vloeit ook voort uit artikel 6 EVRMPro. Dit een en ander brengt met zich mee dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag worden afgewezen. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Verg. onder meer HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254 en meer recent HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151.
1.3.
Op de rol van 1 augustus 2018 is aan gedaagde een akte van niet-dienen verleend, omdat hij niet op de daarvoor bepaalde roldatum voor antwoord heeft geconcludeerd. Omdat gedaagde niet tijdig voor antwoord heeft geconcludeerd, is zijn recht om deze proceshandeling te verrichten ingevolge artikel 133 lid 4 RvPro vervallen. Uit de toelichting van gedaagde op zijn verzoek om pleidooi blijkt dat hij zich alsnog mondeling tegen de vorderingen wenst te verweren. Op grond van artikel 128 lid 3 RvPro was zijn recht daartoe echter reeds voordat hij om pleidooi vroeg vervallen, nu hij niet ten principale heeft geantwoord. Het verzoek om pleidooi strekt kennelijk ertoe om de akte van niet-dienen voor het nemen van de conclusie van antwoord te ‘repareren’. Ingeval van toewijzing van dit verzoek wordt de in artikel 128 lid 3 RvPro neergelegde regel van verval van recht van een gedaagde om zich tegen een vordering te verweren indien niet tijdig voor antwoord wordt geconcludeerd, echter feitelijk ter zijde gesteld. Dat is in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
2.De beslissing
De rolrechter
- wijst het namens gedaagde gedane verzoek om pleidooi af;
- verwijst de zaak naar de rol van 31 oktober 2018 voor het wijzen van vonnis.
Dit vonnis is gewezen door mr. L Alwin en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018. [1]