ECLI:NL:RBDHA:2018:13616
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrese moeder en kind wegens onvoldoende bewijs identiteit
Eiseres en haar minderjarige zoon hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis asiel. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat eisers hun identiteit niet aannemelijk konden maken met officiële documenten. De overgelegde doopakte werd niet als substantieel bewijs erkend vanwege het ontbreken van een pasfoto, een kopie betreft en discrepanties in geboortedatum.
De rechtbank overwoog dat het nieuwe beleid van verweerder vereist dat officiële documenten worden overlegd om identiteit en familierelaties aan te tonen. Onofficiële documenten kunnen aanleiding zijn voor aanvullend onderzoek, maar alleen indien substantieel bewijs is geleverd en de identiteit kan worden vastgesteld. Omdat de identiteit van de moeder niet kon worden vastgesteld, kon ook de familierechtelijke relatie niet worden vastgesteld.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De belangen van het minderjarige kind zijn volgens de rechtbank voldoende betrokken bij de besluitvorming. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis wordt ongegrond verklaard.