ECLI:NL:RBDHA:2018:13723
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier op grond van familieleven artikel 8 EVRM
Eiser, een Iraakse nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan onder de beperking 'familieleven op grond van artikel 8 EVRM Pro'. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het vormen van een gevaar voor de openbare orde vanwege een eerdere veroordeling. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiser voerde aan dat het mvv-vereiste onterecht tegen hem werd gebruikt omdat hij zijn paspoort had afgestaan en niet naar het buitenland kon reizen om een mvv aan te vragen. Ook stelde hij dat de verslechterde veiligheidssituatie in Irak en het belang van familieleven een vrijstelling rechtvaardigden. Verweerder verwees naar eerdere uitspraken en motiveerde het besluit.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen sprake achtte van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn moeder en zussen, en dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro niet in het nadeel van eiser mocht worden bijgesteld. Het mvv-vereiste werd terecht gehandhaafd, de hardheidsclausule was niet van toepassing en het inreisverbod werd niet in strijd geacht met artikel 8 EVRM Pro.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier en het opgelegde inreisverbod wordt ongegrond verklaard.